In de Pyramide – tekst

Ik ben als fotograaf naar dit dorp gekomen in dienst van een tiental clownschool-studenten, die hier voor kinderen en oudjes gaan optreden. Wij parkeerden onze auto’s en het busje op zo’n honderd meter van het dorp en liepen in een clowns-wash (polonaise van opkomende clowns) Gelukkig hoefde ik, als fotograaf, niet mee te lopen, wánt ik moest er foto’s van maken. Eén avond familiair gedwongen vertoeven in een Kirchröatsjer Carnaval heeft me levenslang allergisch gemaakt voor polonaises.
We werden van verre al opgewacht door een dertig- of veertigtal kinderen en evenzovele volwassenen bij de poort die toegang tót of uitvlucht úit het dorp reguleert. Het is maar aan welke kant van de poort je bent geboren. Onze komst werd georganiseerd en begeleid door een dominee van een protestants-christelijke gemeente, die dit dorp onder haar hoede heeft genomen. Zij ondersteunt de arme dorpsbewoners met voedsel, kleding en adviezen. De poort geeft toegang tot een breed zandpad, waarlangs aan beide zijden huizen staan. B ouwsels die de kwalificatie ‘huizen’ nauwelijks verdienen. Feitelijk zijn het niet meer dan constructie van muren, die elkaar overeind houden, en die licht versterkt wordt door iets als een dak. Slechts énkele huizen hebben daken die bescherming bieden tegen wind, regen, sneeuw en al wat er uit de koude hemel naar beneden plenst.
Als ik die huizen begin te fotograferen, maken heen- en weer-bewegende vingers me duidelijk dat dát niet zo’n goed idee is. Gelijk hebben ze. We leven immers niet in een dierentuin, zo luidt de onuitgesproken boodschap. Dan maar met tegenzin stiekem ‘uit de heup’ fotograferen. Ramptoerisme is bepaald niet ‘my cup of thee’, maar wat ik hier zoal te zien krijg wil ik toch wel delen met integere dezen en genen uit de ‘beschaafde’ wereld waar ik vandaan kom.
Uit de menigte komt met grote gebaren een vrouw naar voren. Zij begint tegen me te praten en trekt aan mijn arm. Zij gebaart dat ik mee moet lopen. Ik begrijp geen woord van wat ze zegt, maar de dominee vertaalt dat ik iets moet gaan bekijken en fotograferen. We lopen een stukje terug naar de toegangspoort van het dorp, gevolgd door de andere bewoners van het dorp, de geagiteerde vrouw voorop. De poort vormt het sluitstuk van een hoog hek, dat het hele dorp omsluit en staat op een brug die de kloof, een brede, ondiepe sloot, met de ‘beschaafde’ wereld, tracht te overwinnen. In die sloot staat een klein laagje water, niet diep genoeg om de stank te verdoezelen die wordt veroorzaakt door een grote hoeveelheid afval dat dagelijks wordt aangevuld: plastic flessen, blikjes, papier, pet-flessen, plastic zakjes, maar ook compost van weggegooide leftovers en dat alles vermengd met dierlijke – waaronder ook menselijke – fecaliën. Ik maak er foto’s van, omdat die mevrouw, die me hier naartoe sleurde, me daar toe dwingt. Zodra ik ga fotograferen, wordt ze rustiger en praat op ‘normale’ toon. We begrijpen elkaar: ze wil de ‘buitenwereld’ laten weten dat het aanleggen van een riolering hoger op de agenda van die ‘buitenaardse’ bestuurders moet komen te staan. Ik maak gehoorzaam foto’s om haar gerust te stellen, ik laat haar knikkend wetend dat ik luister en haar begrijp, maar tegelijkertijd weet ik dat mijn foto geen fuck zal bijdragen aan de oplossing van haar probleem. Bovendien heb ik geen woord verstaan van at ze allemaal zei, maar ze toont dat ze het fijn vindt dat ik heb geluisterd en de foto’s heb gemaakt. Na dit ‘openingsgesprek’ gaan we terug het dorp in. De clowns gaan hun ding doen. Hobby-clowns, die gekkebekkentrekkend ieder loslopend kind proberen te verleiden tot lachen, door de domme clown uithangen, door simpele goocheltruukjes te laten mislukken, aldus glimlachen ontfutselend uit ‘zielige’ hoofden van arme kinderen, die moeten wonen in deze krottenwijk van tochtige huizen. Krotten, veelal bedekt met golfplaten die bij ons niet meer verkocht mogen worden omdat er asbest in zit. Na een half uur lopen de meeste kinderen al rond met rode clownsneuzen van plastic om zich qua leukheid te meten ten opzichte van elkaar en met de échte clowns. Van de dominee kreeg ieder kind een zakje met speelgoed, zoals kleurplaten, kleurpotloden en een bellenblaas-busje. Het duurde ook niet zo heel lang voordat de lucht in het dorpje was vergeven van rondvliegende zeepbellen, geproduceerd door clowns en kinderclowns .

En tussen al die kolderieke taferelen door ren ik dan, als huisfotograaf, rond om zoveel mogelijk ‘zielige’ gezichten gefotografeerd te krijgen. Om vastgelegd te krijgen dat een stel zeer altruïstische clowns hun best doen om de kinderen een moment te bieden, waarin ze hun ellende even kunnen vergeten. Dat ze zich weer kind mogen voelen. Binnen zeer korte tijd heb ik een groot aantal portretten geschoten. Aanvankelijk voelde ik me een indringer, een goed geklede en goed bedoelende fotograaf, bescherming zoekend achter zijn grote fotocamera, die impliciet het hele dorp tot fotogeniek rariteitenmuseum verklaart en dat met foto’s probeert vast te leggen. Eenmaal weer thuis gekomen kan ik dan zeggen ‘hoe erg het hier is’ en ‘hoe zielig jullie zijn’ en ‘hoe schrijnend het allemaal is’ en dat zulke toestanden in Nederland gelukkig niet voorkomen. Impliciet vertel ik jullie dus ijskoud dat armoede en slechte huisvesting alleen maar mooie beelden oplevert die in het thuisfront veel indruk gaan maken, omdat de bekijker van de foto’s zal vaststellen dat ‘onze beschaving’ toch wel ‘verdomde intelligent in elkaar zit’ en dat ‘die bloterikken toch nog veel te leren hebben’. Terwijl ik allang veel langer weet: het (laten) bestaan van armoede is een politieke keuze. Mensen dwangmatig opsluiten in de eerste trede in de Pyramide van Maslov ook. Daar zijn wij dan wel weer goed in.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *